De Beara Way : Een Verslag

François Van Den Reym

Nooit verliep de busrit van de luchthaven naar het station zo vlot als vandaag. Van de aangekondigde blokkades door ontevreden vrachtwagenchauffeurs is niets te merken en bovendien blijken heel wat Ieren hun auto uit voorzorg thuis gelaten te hebben.

Voor een retourbiljet (1 maand geldig) Dublin Heuston – Killarney betaal ik IR £44. Een niet onaardig bedrag als je weet dat de Ierse treinen weinig comfortabel zijn en nooit op tijd rijden. Als ze al niet staken. Een wekenlange (!) durende machinistenstaking is nog maar net achter de rug. Bij wijze van (symbolische) compensatie krijgt elke reiziger een gratis zakje met een gebakje, wat snoep en fruitsap mee.

In 1992 verbleef ik samen met mijn echtgenote gedurende een week in Killarney, door sommigen omwille van zijn druk toerisme enigszins denigrerend "het Blankenberge van Ierland" genoemd. Dat het de Ierse economie ondertussen goed voor de wind gaat, Ierland wordt niets voor niets de "Celtic Tiger" genoemd, blijkt uit de face-lift die het stadje sindsdien heeft ondergaan. Vooral de nieuwe winkelgalerijen en supermarkten vallen op. Ook het Tourist Information Office (T.I.O.) heeft onderdak in een gloednieuw gebouw gevonden. In mijn Bed and Breakfast (B&B) is alles evenwel bij het oude gebleven. De kamers zijn klein en uit de douche komt enkel koud water.

Het is midden september en vroeg donker. Een wandeling naar de beroemde "lakes" zit er bijgevolg niet meer in. Voor de zoveelste keer begin ik dan maar T.E. Lawrence’s autobiografie "The Seven Pilars of Wisdom" te lezen. Lawrence of Arabia mag dan wel één van de markantste figuren uit de 20 ste eeuw zijn geweest, opnieuw zal ik niet verder raken dan de eerste hoofdstukken. Volgende passage (ook gebruikt als citaat door Joe Simpson, de Britse schrijver/bergbeklimmer in zijn boek "Touching the Void") wil ik jullie evenwel niet onthouden :

All men dream : but not equally. Those who dream by night in the dusty recesses of their minds wake in the day to find that it was vanity : but the dreamers of the day are dangerous men, for they act their dreams with open eyes, to make it possible.

‘s Morgens schuif ik aan tafel bij 2 oudere en kouwelijke (ik draag enkel een T-shirt) Engelse dames. Het gesprek dwaalt al vlug af naar een voor deze tijd blijkbaar obligaat onderwerp : de onveiligheid in de steden.

Van de vriendelijke hospita krijg ik bij wijze van aanmoediging nog een appel en een potje yoghourt mee. Om 10 uur vertrekt de bus, de laatste van het zomerseizoen, naar Kenmare. Hier loop ik nog even het T.I.O. binnen, in de vruchteloze hoop nog wat achtergrondinformatie over het Beara Peninsula op de kop te kunnen tikken.

Dan steek ik de brug over de Kenmare River over en even later bespeur ik mijn eerste "walking man", mijn gids voor de volgende week : een paaltje met een geel, wandelend figuurtje. Nu ben ik écht weg. De eerste kilometers gaan langs smalle asfaltweggetjes. Ook hier slaat de bouwwoede toe. Het aantal percelen waarop een bouwvergunning aangeplakt is, is niet te tellen. Voorlopig is het hier nog zeer rustig en volgt de Beara Way de loop van de Sheen River. In de verte ontwaar ik de bergen die de ruggengraat vormen van het schiereiland.

Het landschap verliest zijn bucolisch karakter wanneer het zgn. Bonane-bergalternatief zich na zowat 15 km bij de hoofdroute voegt. Het asfalt houdt op en ik volg een tot de jaren 30 van vorige eeuw gebruikt postkoetspad. Het laatste stuk is hier evenwel zo steil dat de passagiers dienden uit te stappen en te voet verder te gaan ! Het zadel tussen Barraboy Mountain en Esk Mountain vormt tevens de grens tussen de graafschappen Kerry en Cork.

Met uitzicht op Bantry Bay daal ik af naar de hoofdweg (N71). Even voor Glengarriff maakt de Beara Way een ommetje langs een natuurreservaat. Dit bestaat uit een bos van het type dat ooit 80% van Ierland bedekte. De belangrijkste toeristische attractie van Glengarriff zijn de Italiaanse tuinen van Garinish Island.

Mijn voorkeur gaat evenwel zonder enige twijfel uit naar het ruwe, door de laatste ijstijd geboetseerde landschap dat ik ’s anderendaags ontmoet in de Magannagan Valley. Zelfs de regen deert me niet terwijl ik moeizaam langs een smal turfpad naar de pas tussen Gowlbeg Mountain en Sugarloaf Mountain klim. Van het beloofde uitzicht komt evenwel niet veel in huis omwille van het laaghangend wolkendek. Soms is het zicht zelfs beperkt tot enkele tientallen meters. De vele prehistorische overblijfselen in dit gebied wijzen op een continu, duizendjarig gebruik van dit pad.

Naarmate ik afdaal verliest het landschap stilaan zijn ruwheid en kom ik terug in de beschaafde (nu ja) wereld, "no trespassing" – verboden doorgang - borden incluis. Het is één kilometerslange, bijna kaarsrechte afdaling tot Adrigole, een dorp zonder echt centrum, gelegen aan de gelijknamige baai.. Ik neem mijn intrek in de enige accommodatie aanwezig, "The Hungry Hill Lodge". Het is nog maar half drie en buiten regent het pijpestelen. De lokale pub opent slechts om half acht. Gedurende meer dan een uur praat ik Engels met een meisje dat achteraf een in Ierland studerende Nederlandse blijkt te zijn. Later maak ik nog kennis met een Australisch koppel dat Sydney ontvlucht is omwille van de olympische drukte.

De volgende dag blijkt het weer gelukkig omgeslagen te zijn. De lucht is halfbewolkt en het moet zowat 15 graden zijn, ideaal wandelweer. De Way volgt even de hoofdweg, gaat dan langs een modderig pad er even parallel mee en komt er dan weer terug op uit. Nog een paar honderd meter en dan verlaat ik de hoofdweg definitief. Het pad slingert langs de met rotsblokken bezaaide flank van Hungry Hill, die imposant de omgeving beheerst. Langs Park Lough dring ik de Comnagapple Glen binnen, een primordiaal landschap van rotsen en veen. Onder de turf zijn de wortels gevonden van bomen die hier drieduizend jaar geleden groeiden. The Way maakt een U bocht en verlaat de vallei. Van hier tot de Owgariff River een paar kilometer verder is ingevolge de schaarse bewegwijzering wel enige zin voor oriëntatie vereist. Echt problematisch wordt het evenwel nooit. Na het oversteken van de rivier stijgt de Way door een desolaat landschap van half ontgonnen turfvelden naar de flank van Maulin Mountain. Hier heb ik een grandioos uitzicht op Bantry Bay met Bear Island dat van het vasteland gescheiden wordt door Bear haven, een natuurlijke diepzeehaven. Langs de vallei van de Ahakista daal ik af naar Castletown Bearhaven, meestal Castetownbere genoemd, vroeger een Britse marinebasis, nu een bloeiende vissershaven. Ik betaal slechts IR £14 voor mijn B & B, het ontbijt is spijtig genoeg navenant.

Even buiten Castleltownbere kom ik langs Dereenataggart Stone Circle, één van de best bewaarde megalithische monumenten op het schiereiland. De rijke schakering aan wolken en de donkere Slieve Miskish Mountains op de achtergrond verlenen aan het geheel een onwerelds tintje.

En een uurtje later, terwijl ik langs de flank van Knockgour naar de 300 meter hoogtelijn klim, ontmoet ik hem : de hobbit, zoals ik hem geïnspireerd door Tolkiens "In de ban van de ring" ben blijven noemen.. Hij rijdt op een paard zonder zadel en is vergezeld door een onder het schurft zittende hond met muilband. Zijn leeftijd kan even goed 45 als 75 zijn, met zijn lange bakkebaarden en weelderig nekhaar. Op zijn hoofd draagt hij een ineengezakte muts en van zijn ongelooflijk versleten, vol gaten zittende jas vervaardigd uit onduidelijk materiaal is hij waarschijnlijk niet de eerste eigenaar. Zijn Engels is nagenoeg onbegrijpelijk, mits veel concentratie kan ik uit zijn gebrabbel opmaken dat hij op zoek is naar verloren gelopen vee. Hij vraagt me of ik even wil rondkijken met mijn verrekijker. Dan volgt een lang verhaal over een vorige keer toen hij zijn vee kwijt was. Ik begin het luisteren evenwel te vermoeiend te vinden en neem afscheid. Later vertelt men me dat het hier mogelijk om een hippie ging. Een hippie ? Eind van de jaren 60 zou in deze streek een kolonie hippies neergestreken zijn. Een aantal van hen is gebleven en bedrijft een soort van subsistentielandbouw.

Wanneer ik afdaal verschijnt het oude mijnstadje Allihies. Ditmaal geen prehistorische monumenten doch een prachtig staaltje industriële archeologie. In de 19de eeuw werd hier koper ontgonnen. Het verhaal van de mijneigenaren, de familie Puxley, wordt door Daphne du Maurier verteld in haar roman "Hungry Hill".

Ik bewonder nog even de intelligentie van een herdershond terwijl hij op aangeven van zijn baas een groep schapen bijeendrijft. Een korte klim langs de werkloze mijninstallaties en ik ben op weg naar Eyeries. De omgeving is prachtig : links van mij heb ik uitzicht op Coulagh Bay, rechts torenen de Slieve Miskish Mountains boven me uit. Enkele raven houden me gezelschap en wat verder ontdek ik zowaar een paar alpenkraaien, zelfs met het blote oog goed herkenbaar aan hun rode snavel en poten.

Eyeries is een dorp waarvan elk huis wel in een andere kleur geschilderd lijkt. In 1977 vormde het het decor van de film "Le taxi mauve", een verfilming van het gelijknamige boek van Michel Déon van de Académie Française, met o.a. Fred Astaire en Philippe Noiret Een eetgelegenheid is er evenwel niet. Gelukkig loop ik een Franse beroepsfotograaf tegen het lijf en samen rijden we naar Castletownbere waar we ons tegoed doen aan een Irish stew.

De volgende dag begint met een aangename wandeling langs Coulagh Bay en Ballycrovane Harbour, dat prat gaat op de grootste ogham steen in Ierland. Hier verwijdert de Way zich van de zee en wat verder bereik ik Lough Fadda, het "lange meer". Na een pittig klimmetje krijg ik uitzicht op de Kenmare River, met aan de overkant het Iveragh schiereiland (het terrein van de Kerry Way, het meest bekende Ierse langeafstandspad). Ik hou een tijdje dezelfde richting aan, waarna een scherpe afdaling tot Ardgroom volgt. De volgende kilometers zijn weinig opzienbarend. Ik steek opnieuw de Kerry-Cork grens over en verlaat na nog een paar honderd meter de hoofdweg. Ik klim naar een pas tussen Drung Hill en Keecragh Mountain. Grote zwerfstenen zijn hier 10.000 geleden achtergelaten door een zich terugtrekkende ijskap en verlenen aan het landschap een ruw en onaangeroerd karakter. Nochtans is het pad dat ik volg al duizenden jaren in gebruik, waarvan de vele prehistorische monumenten de stille getuigen zijn. De Way maakt een ommetje via Croanshag Bridge en ik bereik Lauragh, ook al een dorp zonder echt centrum. Net voor Lauragh Bridge verlaat ik de Way. Na 700 meter bereik ik "Mountain View", mijn B&B voor de nacht.

De laatste dag, nog 26 kilometer. Met nog twee zware beklimmingen voor de boeg ben ik er niet echt gerust in, want rugpijn heeft mijn nachtrust danig verstoord. De eerste 5 kilometer gaan langs asfaltweggetjes. Het stuk dat dan volgt is wat bewegwijzering betreft nogal onduidelijk. Dat een druilerige regen het zicht beperkt, is hier niet geheel vreemd aan. Bovendien blijkt een paaltje omgevallen te zijn. Dan kom ik uit op een afsluiting. Een overstapje ("stile") is niet te bespeuren. Ik loop wat op en af, doch zie slechts één oplossing : erover (gezien het hier prikkeldraad betreft, dienen personen van het mannelijke geslacht dit met de nodige omzichtigheid te doen). Mijn beslissing blijkt de juiste te zijn geweest, aan de volgende afsluiting is er wel het voorziene overstapje.

Een asfaltweggetje gaat tussen Lough Clooney en Lough Inchiquin door. Het weer is ondertussen flink verbeterd en aan de oever van het laatste meer rust ik wat uit vooraleer aan mijn finale klim te beginnen. Het landschap mist hier evenwel het spectaculaire van voordien. De met grassen bedekte bodem is door de regen zeer glibberig en tijdens het afdalen maak ik in een onbewaakt ogenblik kennis met de grond, zonder veel erg overigens. Beneden passeer ik mijn laatste steencircel (cromlech). Dan begint het te regenen, eerst wat aarzelend, dan gestaag en als ik in Kenmare aankom, valt de regen bij bakken uit de hemel.


Beoordeling >>